Zo kom te weten wat jouw favoriete brandpunten zijn

In Lightroom (Classic) kun je makkelijk opvragen welke brandpuntsafstanden je het meest gebruikt. Dat is bijzonder leerzaam, omdat je zo veel te weten komt over bijvoorbeeld je eigen fotografiestijl. Je kunt hierbij zowel een uitsplitsing maken per camera als per objectief. Voor mij is dat belangrijk, want over de jaren heen heb ik met heel wat camera’s gewerkt en die hadden niet allemaal dezelfde sensorgrootte. En je wilt natuurlijk geen appels met peren vergelijken.

Brandpunt en beelduitsnede

Stel dat ik alleen naar de brandpuntsafstand kijk en ontdek dat ik vijfduizend foto’s (ik noem maar wat) op vijftig millimeter heb geschoten. Dan zijn dat in de praktijk alsnog verschillende beelduitsneden en zegt dat getal dus niets.

De beelduitsnede is het stukje dat je uit de werkelijkheid knipt door ergens een foto van te maken. En die uitsnede hangt af van de combinatie van camera (sensorgrootte) en objectief (brandpuntsafstand). Een vijftig millimeter op full frame geeft een ander resultaat dan vijftig millimeter bij APS-C, micro four thirds, één inch sensor, of een smartphone / compact camera.

Twee uitersten

Vandaar dat ik in Lightroom een voorinstelling heb gemaakt bestaande uit drie kolommen: cameramodel, objectief en brandpuntsafstand. Klik ik op een camera, dan krijg ik alle lenzen met alle gebruikte brandpuntsafstanden te zien. Klik ik op een objectief, dan krijg ik alleen van die ene lens alle gebruikte brandpuntsafstanden te zien. Zo kun je dus eenvoudig in- en uitzoomen op de metadata.

Eén ding valt mij hierbij meteen op. Van de meeste zoomlenzen gebruik ik voornamelijk de twee uiterste standen. De rest van de foto’s zit redelijk gelijkmatig verspreid over het totale zoombereik, met af en toe een piek ergens rond het midden, of bij de kleinste brandpunten, of bij de grootste brandpunten.

Dus ongeacht welke zoomlens ik gebruik (of vroeger gebruikt heb), het zijn vooral de twee uiterste standen waarmee ik foto’s maak. Hier probeer ik conclusies uit te trekken. Je zou kunnen aannemen dat de uiterste standen toevallig net mijn favoriete brandpunten zijn. Dat zou verklaren waarom in vaak volledig uitzoom of inzoom. Deze theorie klopt alleen niet, omdat het zoombereik van mijn zoomlenzen niet steeds hetzelfde is geweest.

Zoomlenzen analyseren

Verspreid over pakweg twintig jaar (zolang fotografeer ik digitaal) heb ik veel verschillende camerasystemen gehad. Daar zat altijd wel een zogenaamd standaard zoomlens bij. De een begint bij 28 millimeter, de ander bij 24 millimeter. De een eindigt bij 85 millimeter, de ander bij 105 millimeter. Ze hebben dus niet exact hetzelfde bereik, maar het zit redelijk dicht bij elkaar. Dus afgaande op deze standaard-zoomlenzen zou de theorie van de favoriete brandpunten nog wel kunnen kloppen.

Wat de andere zoomlenzen betreft is er een groter verschil. Op full frame (Canon 5D Mark II) heb ik bijvoorbeeld met een 12-24 en een 17-40 supergroothoek gewerkt. Als ik naar de telelenzen kijk, werkte ik op full frame met een 70-200 en daarvoor heb ik op four third (Olympus E-3) een 50-200 (omgerekend 100-400 millimeter) gehad. Ook toen heb ik vooral de uiterste standen gebruikt. Terwijl ditmaal het zoombereik van zowel de groothoeklenzen als de telelenzen behoorlijk verschillend is.

Meer (of minder) is altijd beter (?)

Dus dat de uiterste standen toevallig mijn favoriete brandpunten zijn, is niet aannemelijk. Het lijkt er meer op dat het mij gewoon nooit genoeg is. Als ik in groothoek werk, wil ik het liefst zoveel mogelijk groothoek hebben. Zoom ik in, dan wil ik alles ook echt zo dichtbij mogelijk halen. Dus stel dat ik een 70-200 lens vaak op 200 millimeter gebruik, dan is de kans groot dat ik direct naar 400 ga met een 100-400 lens en naar 600 met een 150-600 objectief.

Nu is het zo dat zoomlenzen doorgaans minder goed presteren in de twee uiterste standen. Je moet vooral in het middengebied zijn voor de allerbeste beeldkwaliteit en de laagste vervorming. Mooi is dat… Daar profiteer ik op deze manier dus niet van. Wat beeldkwaliteit betreft zou het slimmer zijn een zoomlens te vervangen door twee primes: eentje in de buurt van het begin van het zoombereik en eentje aan het einde ervan. Bijvoorbeeld een 23 (of 18) en een 50 millimeter, in plaats van een 18-55 zoomlens (uitgaande van APS-C).

Meer doen met primes

De laatste jaren werk ik dan ook steeds vaker met lenzen met een vast brandpunt (de zogenaamde primes). Ze zijn compacter, lichter, lichtsterker, scherper en op een of andere manier heb ik veel meer lol in het fotograferen met zo’n (relatief) klein lensje op mijn camera. In het begin was het best wennen moet ik toegeven. Vooral voor iemand zoals ik die vroeger het liefst met zoomlenzen werkte en hooguit één lichtsterke 50 millimeter “voor erbij” had en dan ook nog alleen voor uitzonderlijke gevallen zoals situaties met weinig licht.

Nu ik meerdere primes in mijn fototas heb zitten is mij nog iets opgevallen. Ditmaal zelfs zonder in Lightroom te kijken. Met zoiets als een 23 of 35 millimeter lens (APS-C, dus ongeveer 35 en 50 millimeter op full frame) kan ik een hele dag moeiteloos vrijwel al mijn foto’s maken. Ik kan niet zoomen, dus ik moet actief op zoek naar het beste standpunt waarbij zowel de omgeving als het onderwerp optimaal in beeld staan. Paar stappen naar voren of naar achteren, stukje opzij, of even door mijn knieën zakken.

Heel af en toe mis ik hierdoor een opname, omdat iets zich te dichtbij of te ver weg afspeelt voor een specifieke prime. Of althans: een scene komt kleiner op de foto dan ik wil, of het past er net niet helemaal op. Dat gebeurt met name bij straatfotografie. Is dat erg? Zo voelt het wel, maar straatfotografie is vrij werk, dus een ‘gemiste kans’ is ook weer geen ramp. Tijdens betaalde opdrachten en ook als onderwerpen niet weglopen (denk aan landschappen of nachtfotografie) is het gewoon een kwestie van even een andere prime erop zetten en weer doorgaan.

Zoutpilaar

Schroef ik een andere dag een van mijn zoomlenzen weer eens op de camera, dan verandert mijn werkwijze op slag. Want nu ben ik geneigd zodra ik iets zie ongeveer op dezelfde plek te blijven staan en een ferme draai aan de zoomring te geven. In plaats van dat ik actief naar het beste standpunt op zoek ga. Je raadt het al: in de praktijk zoom ik helemaal in of zoom helemaal uit – en af en toe blijf ik ergens op een willekeurige plek van het zoombereik hangen. Zoomlenzen maken je lui wordt vaak gezegd en dat lijkt bij mij te kloppen.

Het type lens bepaalt dus vaak hoe ik te werk ga. En dat verrast mij nogal. Blijkbaar kan ik bijna al mijn foto’s met één, twee of hooguit drie prime maken en ga ik dan actief op zoek naar de allerbeste standpunten. Terwijl ik met een zoomlens ineens in een zoutpilaar verander en aan de zoomring blijf draaien. Zelfs als ik mij stellig heb voorgenomen om (als een soort van uitdaging) mijn zoomlens de hele dag op bijvoorbeeld 23 of 35 of 50 millimeter te laten staan. Op een of andere manier houd ik dat maar een paar opnamen vol. In het heetst van de strijd maakt het zoommechanisme als snel overuren. Misschien een tubetje superlijm meenemen de volgende keer? 😉

* Als je iets wilt fotograferen is het belangrijk dat je eerst het best mogelijke standpunt opzoekt en dan pas een brandpuntsafstand kiest waarmee je een mooie beelduitsnede krijgt. Dat staat los van de vraag of je met een prime of een zoomlens werkt. Alles over de werkwijze en de voordelen en nadelen van primes en zoomlenzen, lees je in mijn artikel in het blad Zoom.nl van maart 2018.

 

Favoriete brandpunt - Kees Krick Media
Links een compacte prime, rechts een standaard zoomlens.

, , , , , , ,

www.keeskrick.com